icing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

icing
Uitspraak
Woordafbreking
  • icing
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord icing icings
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

icing o

  1. (voeding) (kookkunst) eetbare versiering voor taartjes en koekjes
     Met hartjesvormpjes duw je nu in de brownie. Het leukste is om verschillende maten te gebruiken. Decoreer de hartjes met icing en suikerhartjes. Als dit niet met liefde gemaakt is?![1]
Synoniemen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
42 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron SUSAN ARETZ“Red velvet brownietaart Valentijnhartjestaart” (05 jul. 2016), De Telegraaf
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be