ibis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ibis

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ibis
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘reigerachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ibis ibissen
verkleinwoord ibisje ibisjes

Zelfstandig naamwoord

ibis m

  1. (vogels) een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae op Wikispecies
    • Een ibis heeft een lange, smalle en gekromde snavel. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • i·bis

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
ibis ibis

ibis m

  1. (vogels) ibis


Latijn

Werkwoord

vervoeging van
īre

ībis

  1. actief indicatief futurum simplex, tweede persoon enkelvoud van īre (onregelmatig)