hypothekeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hy·po·the·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hypothekeren
hypothekeerde
gehypothekeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

hypothekeren

  1. overgankelijk als hypotheek stellen
    Is het mogelijk om dit te hypothekeren?
  2. overgankelijk de realisering of het voortbestaan van iets bemoeilijken of in gevaar brengen
    hypothekeren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.