huurbaar
Uiterlijk
- huur·baar
- Naamwoord van handeling van huren met het achtervoegsel -baar
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | huurbaar | huurbaarder | huurbaarst |
| verbogen | huurbare | huurbaardere | huurbaarste |
| partitief | huurbaars | huurbaarders | - |
huurbaar
- van een ruimte, object of voorwerp dat deze geschikt en beschikbaar is om gehuurd te worden door een huurder
- Het woord 'huurbaar' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.