huppelaar
Uiterlijk
- hup·pe·laar
- afleiding van naamwoord van handeling huppelen met het achtervoegsel -aard
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | huppelaar | huppelaars |
| verkleinwoord | huppelaartje | huppelaartjes |
de huppelaar m
- iemand die huppelt
- Het woord 'huppelaar' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.