hulsel
Uiterlijk
- hul·sel
- Naamwoord van handeling van hullen met het achtervoegsel -sel [1][2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hulsel | hulsels |
| verkleinwoord |
het hulsel o
- iets dat een ander voorwerp bedekt of omhult
- Het door inz. genoemde gebruik vinden wij bij Da Costa: ‘Hoe is de levensgeest geweken? Hoe 't stoflijk hulsel afgescheurd?’ [3]
- Het woord hulsel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "hulsel" herkend door:
| 79 % | van de Nederlanders; |
| 78 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ hulsel op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ (1947)– [tijdschrift] Onze Taal De zwakke plek
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be