hulsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hul·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hulsel hulsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hulsel o [2]

  1. iets dat een ander voorwerp bedekt of omhult
    • Het door inz. genoemde gebruik vinden wij bij Da Costa: ‘Hoe is de levensgeest geweken? Hoe 't stoflijk hulsel afgescheurd?’ [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen