hulpbehoevend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hulp·be·hoe·vend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hulpbehoevend hulpbehoevender hulpbehoevendst
verbogen hulpbehoevende hulpbehoevendere hulpbehoevendste
partitief hulpbehoevends hulpbehoevenders -

Bijvoeglijk naamwoord

hulpbehoevend [1]

  1. afhankelijk zijn van hulp, onvoldoende zichzelf kunnen helpen
    • De vraagstukken zijn minder heftig dan bij de professionele hulpbehoevenden. Niet: hoe zorg ik ervoor dat ik niet binnen drie weken failliet ben omdat klanten wegblijven? Vinden ze mijn in de magnetron opgewarmde specialiteit bloemkool met Zwitserse chocoladesaus soms niet lekker? Wel: hoe weet ik het als mijn blauwe schimmelkaas niet meer goed is? [2] 
    • Hoogleraar Jos Schols vindt dat zorgsector en politiek een belangrijke morele vraag moeten beantwoorden: „Hoe lang kun je kwetsbare en hulpbehoevende ouderen echt veilig thuis laten wonen en verzorgen?” [3] 
Verwante begrippen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joram Bolle 1 maart 2017
  3. NRC Kim Bos 13 februari 2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be