huiswerkcontrole
Uiterlijk
- huis·werk·con·tro·le
- samenstelling van huiswerk en controle
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | huiswerkcontrole | huiswerkcontroles |
| verkleinwoord |
- het nakijken van het huiswerk door de docent. Is het huiswerk gemaakt? Hoe is de kwaliteit van het huiswerk?
- Omdat de cursisten het huiswerk niet maakten ging de docent huiswerkcontroles invoeren.
- Het woord 'huiswerkcontrole' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.