huisvesting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·ves·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisvesting huisvestingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

huisvesting v

  1. het huisvesten van iemand
    • De huisvesting van de stroom vluchtelingen leverde grote problemen op. 
  2. het onderkomen dat iemand al of niet vindt
    • Gelukkig had hij nu zowel huisvesting als een baan gevonden. 
     Het bouwadvies is terecht en ingegeven door het eerder beschreven verdwijnen van de verzorgingshuizen. Of dat bouwen het ontstane zorgprobleem oplost, valt echter te betwijfelen. Het voormalige verzorgingshuis bood immers geïntegreerde huisvesting én zorg aan de groep kwetsbare ouderen, veelal boven de 80 jaar.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Bronlink Weblink bron Noud Engelen “Kwetsbare ouderen hebben beschermde woonomgeving nodig” (14 februari 2020), Trouw