huisvesting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·ves·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisvesting huisvestingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

huisvesting v

  1. het huisvesten van iemand
    • De huisvesting van de stroom vluchtelingen leverde grote problemen op. 
  2. het onderkomen dat iemand al of niet vindt
    • Gelukkig had hij nu zowel huisvesting als een baan gevonden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie