huisdeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·deur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisdeur huisdeuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

huisdeur v/m

  1. de deur aan de voorkant van het huis
    • Als je op vakantie gaat moet je de huisdeur goed afsluiten. 
Synoniemen
  1. voordeur

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.