huisadres

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·adres
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisadres huisadressen
verkleinwoord huisadresje huisadresjes

Zelfstandig naamwoord

huisadres o

  1. adres waar men woont, i.t.t. werkadres
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie