hotelier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·te·lier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hotelier hoteliers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hotelier m [2]

  1. (beroep) iemand die beroepsmatig een hotel exploiteert
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen