hossel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hos·sel

Werkwoord

vervoeging van
hosselen

hossel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hosselen
    • Ik hossel. 
  2. gebiedende wijs van hosselen
    • Hossel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hosselen
    • Hossel je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

43 % van de Nederlanders;
22 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be