horigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·rig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord horigheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

horigheid v

  1. onderdanige, onvrije gebondenheid en onderdanigheid
    • Middeleeuwse horigheid en hedendaagse modernisering zouden best hand in hand kunnen gaan. Althans, dat denkt president Aleksandr Loekasjenko van Wit-Rusland. [1] 
    • De tendens om in de nieuwe structuur recht te (blijven) doen aan de pluraliteit van de kerk en daarmee iedere modaliteit haar eigen bestaansrecht te geven, is strijdig met het fundament van onze kerkorde dat iedere gemeente in de Protestantse Kerk vergaderd wordt rond het ene Woord van God, in een gezamenlijke roeping tot horigheid aan de Schrift en tot schatplicht aan onze belijdenis. [2] 
    • Inmiddels, ruim een jaar later, geldt Arib als een uitstekende voorzitter. Volgens de PVV’er Dion Graus is ze zelfs de beste Kamervoorzitter sinds mensenheugenis – dus daar sta je met je sleetse litanie van dubbele loyaliteit, horigheid aan de Marokkaanse koning en je sharia. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC 7 december 2012 Loekasjenko heeft plan: horigheid is modern idee
  2. Reformatorisch Dagblad ds. A. J. Mensink en drs. P. J. Vergunst 16-04-2016 Open brief Gereformeerde Bond: Geestelijke verzwakking dreigt bij hervorming kerkorde
  3. NRC Bas Heijne 1 april 2017 Arib