hopbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

hopbel
Uitspraak
Woordafbreking
  • hop·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hopbel hopbellen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hopbel v/m [1]

  1. geschubde vruchtkegel om de bloem van de vrouwelijke hopplant
     De terugkeer van kleine familiebrouwerijtjes toont aan dat de Nederlandse biercultuur weer in opkomst is, zegt Hans Wiegel. Zondag krijgt de VVD-coryfee in het Limburgse Gulpen de Gouden Hopbel uitgereikt.[2]
     Straatnamen en de hopbel in het gemeentewapen houden de herinnering aan die periode levend.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

24 % van de Nederlanders;
46 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Hans Wiegel trots op biercarrière” (08-09-2012), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron “PRISCILLA SPEIJER” (26 jan. 2013), De Telegraaf