hoon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoon
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘smadelijke bejegening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord hoon
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoon m

  1. honende uitlating
    • hoon tegen juist die anderen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
honen

hoon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honen
    • Ik hoon. 
  2. gebiedende wijs van honen
    • Hoon! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honen
    • Hoon je? 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen