Naar inhoud springen

hoon

Uit WikiWoordenboek
  • hoon
  • In de betekenis van ‘smadelijke bejegening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord hoon
verkleinwoord

dehoonm

  1. honende uitlating
    • hoon tegen juist die anderen. 
    • Trump oogst hoon voor zijn decreet om Lake Ontario ‘Lake America’ te noemen: ‘Nu belanden we in echte zotheid[2] 
vervoeging van
honen

hoon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honen
    • Ik hoon. 
  2. gebiedende wijs van honen
    • Hoon! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honen
    • Hoon je? 
89 %van de Nederlanders;
78 %van de Vlamingen.[3]