hoogtijd
Uiterlijk
- hoog·tijd
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoogtijd | hoogtijden |
| verkleinwoord |
- periode dat men op zijn best is of was
- (religie) religieuze feestdag
- [1] hoogtij, bloeitijd, hoogtijperiode
- het is hoog tijd in de betekenis dat men zich moet haasten schrijft men los van elkaar
- Het woord hoogtijd staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Religie in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal