hoogstens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoog·stens
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bijwoord: op zijn hoogst, meest’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1802 [1]

Bijwoord

hoogstens

  1. op zijn meest
    • Hij wilde '''hoogstens''' vijftig euro betalen voor die tweedehands fiets 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen