hoofdmoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoofd·moot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoofdmoot hoofdmoten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoofdmoot v/m

  1. het grootste en belangrijkste gedeelte
    • Er kwam een groot zuiveldier op de tafel van Zefod Bijsterbuil af, een grote dikke vlezige viervoeter van het rundertype, met grote waterige ogen, kleine hoorns en bijna iets van een innemende glimlach om zijn lippen. `Goedenavond,' loeide het, en het liet zich log op zijn billen zakken, `ik ben de hoofdmoot van de dagschotel. Mag ik uw aandacht vestigen op enkele delen van mijn lichaam?' Het ademde en gorgelde wat, draaide zijn achterdelen even heen en weer tot het lekker zat en staarde hen vredig aan.[1] 
    • De passagiers lijken het niet op te merken. Ze staren voor zich uit, vol van hun eigen gedachten: de priester over God, Tarisio over violen en de vrouw over de baby. Je zou dus zeggen dat liefde in deze kleine, schuddende ruimte de hoofdmoot is, dat verlangen en hoop de draden zijn die deze mensen verbinden. Maar volgens de priester is zijn god de enige waarheid, volgens de vrouw is kinderroof haar enige redding en volgens Tarisio is sluw zaken doen de enige weg. Dat is geen liefde, vind ik, dat is iets heel anders. [2]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Adams, Douglas Hitchhiker's Guide deel twee van drie Het restaurant aan het einde van het heelal 2010 ISBN 978-90-225-5612-2 pagina 101
  2. Winter, Julian Messias 2015 ISBN 978-90-446-2746-6 pagina 186-187