hondenkop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] de kop van een hond
[2] treinstel
Uitspraak
Woordafbreking
  • hon·den·kop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hondenkop hondenkoppen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hondenkop m [2]

  1. (zoötomie) kop van een hond
    • Op een van de eerste foto’s die ooit van me is genomen, lig ik in een dekentje gerold op mijn moeders arm. Maar dat is niet het focuspunt van de foto. De aandacht gaat meteen uit naar die grote hondenkop die nieuwsgierig toekijkt.[3] 
    • Op de zwart-wit beelden is te zien hoe Theys met een hondenmasker op als een bezetene inhakt op de Duitse herder. De hond is weliswaar al dood, maar toch. Op een ander filmpje zien we een baby liggen tussen twee afgehakte hondenkoppen.[4] 
  2. (spoorwegen) type passagierstrein Materieel '54
    • De hondenkop maakt samen met een andere historische trein, de muizenneus, deze zomer weer ritjes over het spoor tussen Utrecht en Amersfoort.[5] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. hondenkop op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Telegraaf 04 okt. 2014
  4. de Telegraaf 16 mei 2013
  5. Volkskrant