homofoon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·mo·foon
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel homo- met het achtervoegsel -foon
enkelvoud meervoud
naamwoord homofoon homofonen
verkleinwoord homofoontje homofoontjes

Zelfstandig naamwoord

homofoon m

  1. (taalkunde) woord dat hetzelfde wordt uitgesproken en/of geschreven als een ander woord, maar een andere betekenis heeft en niet tot dezelfde woordsoort behoort
    • Kan (serviesgoed) is een homofoon van kan (werkwoord). 
  2. (taalkunde) woord dat anders wordt geschreven dan een ander woord, maar hetzelfde wordt uitgesproken
     Homofonen zijn woorden die hetzelfde klinken maar die je anders schrijft. Er zijn in het Nederlands vrij veel van deze woorden omdat we bijvoorbeeld de ei en ij hebben en ook de ou en au.[1]
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen homofoon
verbogen homofone

Bijvoeglijk naamwoord

homofoon

  1. (muziek) éénstemmig gezongen, eventueel met harmonisch begeleidende stemmen
     Je ziet meteen aan geschreven muziek dat het homofoon is: de stemmen staan keurig recht onder elkaar.[2]
  2. gelijkluidend
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 4 mei 2021 Weblink bron “, Gynzy
  2. Bronlink geraadpleegd op 4 mei 2021 “Muzikale vormen 4. Homofonie en Polyfonie”, Blokfluit en Muziek
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be