holen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
holen
hoolde
gehoold
zwak -d volledig

Werkwoord

holen

  1. overgankelijk (golfsport) (mbt. de putt) maken, scoren

Zelfstandig naamwoord

holen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hol
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Duits

Uitspraak
  • IPA: /'hoːlən/
Woordafbreking
  • ho·len
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
holen
/'hoːlən/
holte
/'hoːltə/
geholt
/gə'hoːlt/
zwak volledig

Werkwoord

holen

  1. halen


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /ɦɔlɛn/
Woordafbreking
  • ho·len

Werkwoord

holen

  1. mannelijk enkelvoud passief deelwoord van het imperfectieve werkwoord holit