hoeslaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoes·la·ken
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoeslaken hoeslakens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoeslaken o [1]

  1. (huishouden) een laken dat als een hoes om een matras past en door de elastieken hoeken niet verschuift
    • Wil je morgen voordat je weggaat of vanavond nog de lakens verschonen? Schone lakens liggen in dat oude kastje naast de deur naar de badkamer. Neem het hoeslaken met de knoopjes aan de onderkant. Weet je welke ik bedoel? Die knoopjes moet je dichtmaken. En verwissel ook de moltonhoes die over het matras heen gaat.'[2] 
  2. (huishouden) een laken dat om een dekbed heen zit
    • De dekbedsets van deze winkelreus hebben bovendien een ander nadeel: de kussenslopen zijn te klein; slapen Zweden op kleinere kussens dan wij? Laatst hoorde ik over hoeslakens met ritsen. Dat lijkt me de oplossing.[3] 
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Spaan, Henk Oude vrienden 2014 ISBN 978-90-254-4334-4 2015 pagina 242
  3. Groothuis, Diet Het grote poetsboek 2016 ISBN 978-90-450-2940-5 pagina 68
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be