hoedster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoed·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoedster hoedsters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoedster v

  1. iets of iemand die iets of iemand beschermt zoals een herder zijn kudde beschermt
    • Na het verkennen van het rondje door “mijn” 3 mannen en 29 vrouwen gaan we dat rondje drie maal op tempo lopen. Ik steeds voorop en Nellie als hoedster bij de achtste loopsters. Iemand met een GPS horloge meldt na de eerste snelle ronde dat het rondje 1040 meter is, dat weten we dan ook weer. [1] 
    • ,,De feiten lieten ons geen keus", aldus Timmermans. Volgens hem is de Poolse rechtsstaat in gevaar en is de Commissie, als hoedster van de Europese verdragen, ‘verplicht in actie te komen’. [2] 
    • Ook van De Tijd krijgt onze premier een 'pluim'. 'Hij was de eerste Europese regeringsleider die hardop en publiek het geweld van de Spaanse oproerpolitie veroordeelde. In Europese kringen bleef het daarentegen muisstil. Waar zat kanselier Angela Merkel, toch de hoedster van de westerse democratie genoemd? [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen