hobbelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hob·be·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hobbelaar hobbelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hobbelaar m [1]

  1. blokschaaf met een gebogen oppervlak


Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.


Verwijzingen