hisser
Uiterlijk
- geleend van Nedersaksisch hissen (zie ook Middelnederlands hischen, hijschen en modern Nederlands hijsen met dezelfde betekenis), wat gevormd is uit een klanknabootsing van het omhoog trekken van iets met een touw [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hisser |
hissais |
hissé |
| eerste groep | volledig | |
hisser
- overgankelijk hijsen; ophijsen; naar boven tillen
- overgankelijk (figuurlijk) verheffen; naar een hoger niveau brengen
- wederkerend se ~: zich omhoog tillen; zich ophijsen
- wederkerend (figuurlijk) se ~: zich verheffen; zich naar een hoger niveau brengen
- ↑ hisser (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.