Naar inhoud springen

hinken

Uit WikiWoordenboek
  • hin·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hinken
hinkte
gehinkt
zwak -t volledig

hinken

  1. inergatief ongelijk lopen omdat men slechts op één been steunen kan
    • Hij verzwikte zijn voet en heeft daarna een beetje gehinkt, maar het bleek niet ernstig. 
  2. ergatief ergens slechts op één been heen gaan
    • De kinderen zijn van de ene kant van het pad naar het andere gehinkt. 
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hinken
hinkte
hat gehinkt
zwak volledig

hinken

  1. onovergankelijk hinken
  2. onovergankelijk niet kloppen, onjuist/verkeerd zijn, rammelen [6]