hinkelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hin·ke·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hinkelaar hinkelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hinkelaar m

  1. iemand die hinkelt
    • Die tweede laag als het ware onder de welsprekendheid is de Brabantse bodem, het is de sociabele maar ook de sociale warmte en gulheid die uitstroomt, en overstroomt in een onuitputtelijke genegenheid voor de medemens en voor alle schepsel en natuur, voor alle gaven der wereld die in vloeibare of niet vloeibare staat letterlijk of figuurlijk geschonken zijn, een gulle genegenheid die tot een vrome levens- en godsliefde stijgt. Het is dat ‘hart van Brabant’ dat hem die gelukkig ook nu nog niet vergeten gedichten heeft doen schrijven van het volk in de processie en de litanie der zonderlinge zielen, waarin geen breugelse hinkelaar van zijn goedgeefse genegenheid verstoken is gebleven en ook de onbeduidendste medebewoner nog vermeldenswaard, de poldergasten en de keuterboertjes tot de mannekes uit de gestichten, de achteraankomers, de strompelaars: [1] 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Anthonie Donker (1957)– [tijdschrift] Nieuwe Stem, De Nederlandse poëzie De dichter Anton van Duinkerken