hincha
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| hincha | hinchas |
| vervoeging van |
|---|
| henchir |
hincha
- aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van henchir
- aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van henchir
- gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van henchir
| vervoeging van |
|---|
| henchirse |
hincha
- aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van henchirse
- aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van henchirse
- gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van henchirse
| vervoeging van |
|---|
| hinchar |
hincha
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van hinchar
- gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van hinchar
| vervoeging van |
|---|
| hincharse |
hincha
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van hincharse
| vervoeging van |
|---|
| hinchir |
hincha