hiker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

hiker
Uitspraak
Woordafbreking
  • hi·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord hiker hikers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hiker m

  1. iemand die lange, meerdaagse wandeltochten in de wildernis maakt
     Van de Leest beschrijft Kamphuis als een 'een zeer ervaren hiker die wel vaker alleen op vakantie ging'. ,,We vermoeden dat hij daar in de regio is gaan hiken. Het is een bekende hikingspot, met heel ruig terrein. In het verleden heeft hij daar ook veel gewandeld."[1]
     Gespannen rende ik naar de enige beschutte plek op de bergtop, een kleine berghut. Daar kroop ik, nog in de greep van de angst, mijn slaapzak in en rolde mezelf tot een kleine bal. Dit zou toch niet mijn laatste nacht op aarde worden? Met zeven andere hikers zou ik de nacht in deze piepkleine ruimte van drie bij drie meter moeten doorbrengen.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron David Bremmer “Noorse politie onderzoekt vermissing Arjen Kamphuis (47)” (02-09-2018), Tubantia
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia