hijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hijs
enkelvoud meervoud
naamwoord hijs hijsen
verkleinwoord hijsje hijsjes

Zelfstandig naamwoord

hijs m

  1. het hijsen
  2. hijswerktuig.
  3. de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
  4. klap.
  5. zijde van een zeil waar dit gehesen wordt, voorlijk
  6. stokzijde van een vlag
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • het is een hele hijs
  • het is een fors karwei
  • iemand een hijs verkopen
  • iemand (hard) slaan
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hijsen

hijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hijsen
    • Ik hijs. 
  2. gebiedende wijs van hijsen
    • Hijs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hijsen
    • Hijs je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.