hiërarchie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hi·e·rar·chie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘rangorde’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
  • afgeleid van het Griekse 'hieros' (heilig) met het achtervoegsel -archie [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord hiërarchie hiërarchieën
verkleinwoord hiërarchietje hiërarchietjes

Zelfstandig naamwoord

hiërarchie v

  1. rangorde (van waardigheidsbekleders)
     Daardoor kwam de verantwoordelijkheid voor het huis en het land ook grotendeels neer op de schouders van de kamerheer. Geoffrey Poke had zich al stevig geïnstalleerd aan de top van de hiërarchie van de bedienden toen Emont lord werd, en de combinatie van Geoffreys zucht naar macht en Emonts desinteresse gaf hem de gelegenheid om zijn positie verder uit te breiden.[3]
  2. indeling in volgorde van belangrijkheid
    • een hiërarchie kan worden weergegeven met een structuur die lijkt op een boomstructuur 
    • Die overdreven voorliefde voor het gezag had ze van haar vader, adjunct van het plaatsvervangend afdelingshoofd bij het ministerie van Posterijen, die de hiërarchie binnen zijn ministerie zag als een metafoor voor het universum. [4] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen