hevel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Hevel


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·vel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hevel hevels
verkleinwoord heveltje heveltjes

Zelfstandig naamwoord

hevel m

  1. (verouderd) gist, zuurdeeg
    • Hevel, ofte hef-deegh, Leave, or sowre dow.[3] 
  2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
    • Met een hevel kun je gemakkelijk water uit een aquarium verwijderen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hevelen

hevel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hevelen
    • Ik hevel. 
  2. gebiedende wijs van hevelen
    • Hevel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hevelen
    • Hevel je? 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders
78 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Hevel, m: Siphon; waer mede, na de eerste opzuiging de wijn of andere vogt blijft opwaerts trekken, om alzo in een ander vat over te loopen.Ten Kate 1722
  3. Henry Hexham, Het groot woorden-boeck: gestelt in 't Nederduytsch, ende in 't Engelsch. Arnout Leers, Rotterdam 1648