Naar inhoud springen

heugen

Uit WikiWoordenboek
  • heu·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
heugen
heugde
geheugd
zwak -d volledig

heugen

  1. onpersoonlijk in de herinnering bijblijven
    • "Het zal je heugen!" sprak hij dreigend. 
  2. overgankelijk in de herinnering oproepen
    • "De Zeeusche stroomen heugen … van uw verliefde klagten" 

zich heugen

  1. wederkerend uit de herinnering oproepen
    • ik heug me die middag nog goed. 
97 %van de Nederlanders;
75 %van de Vlamingen.[4]