hertrouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·trouw

Werkwoord

vervoeging van
hertrouwen

hertrouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hertrouwen
    • Ik hertrouw. 
  2. gebiedende wijs van hertrouwen
    • Hertrouw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hertrouwen
    • Hertrouw je? 
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hertrouw hertrouwen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hertrouw m

  1. het opnieuw trouwen

Gangbaarheid