herstarten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·star·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
herstarten
herstartte
herstart
zwak -t volledig

Werkwoord

herstarten

  1. overgankelijk opnieuw in beweging zetten
    • Hij had zijn computer herstart, maar het probleem bleek hardnekkig. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.