herkansing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·kan·sing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord herkansing herkansingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

herkansing v [1]

  1. een extra mogelijkheid om een succes te behalen nadat dit eerder mislukt is
    • Maar de liefde is van korte duur. Hari wil een herkansing, volgend jaar, als hij hersteld is, en niet in de gevangenis zit, maar dat zegt hij er natuurlijk niet bij. „I will knock you the fuck out”, bitst hij Verhoeven toe. „Let’s do it baby”, zegt de wereldkampioen. De spanning is alweer terug van nooit weggeweest. [2] 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Dennis Meinema 12 december 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be