herhaling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·ha·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord herhaling herhalingen
verkleinwoord herhalinkje herhalinkjes

Zelfstandig naamwoord

herhaling v

  1. het nogmaals plaatsvinden
    • Er zat een hoop herhaling in de tekst. 
     Ik ga er geen gewoonte van maken om evidenties te notuleren, maar één vanzelfsprekendheid deed mij bij herhaling zoveel plezier dat ik haar niet onvermeld wil laten.[1]
     Pierewiet. Pierewiet. Het lied met pierewiet gaat over een merel in de lente. Dat mag best, nu de lente in het jasje van de herfst is gaan wonen. Samuel heeft geregeld muziektherapie en voor woorden als pierewiet, zeker bij herhaling uitgesproken, kun je hem wakker maken. Mooie, grappige klank. De herhaling van de ie, de rollende r. Hij lacht uitbundig bij een gezongen pierewiet. Nog een keer, dat refrein. En nog eens.[2]
  2. een aflevering van een televisieprogramma of -serie die nogmaals wordt uitgezonden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 25
  2. Bronlink Weblink bron Willem Vissers op Wikipedia “Samuel is trommelaar op zijn eigen klankkast” (18 oktober 2017), de Volkskrant