herfstachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • herfst·ach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen herfstachtig herfstachtiger herfstachtigst
verbogen herfstachtige herfstachtigere herfstachtigste
partitief herfstachtigs herfstachtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

herfstachtig

  1. zoals normaal voor de herfst is
    • Het was midden in de zomer maar het regende en woei zo hard dat het al herfstachtig weer was. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.