hengel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Hengel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hen·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hengel hengels
verkleinwoord hengeltje hengeltjes

Zelfstandig naamwoord

hengel m

  1. stok of buis waarmee een visdraad kan worden geworpen en boven het wateropervlak kan gehouden worden
  2. stok of buis waarmee een microfoon op de optimale plaats kan gehouden worden
  3. (plantkunde) Melampyrum pratense op Wikispecies een plant uit de bremraapfamilie Orobanchaceae op Wikispecies [2]
Synoniemen
  • boom (uit het Engels)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Met een gouden hengel vissen
Door bedrog zijn doel halen.
Vertalingen


Werkwoord

vervoeging van
hengelen

hengel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
    • Ik hengel. 
  2. gebiedende wijs van hengelen
    • Hengel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
    • Hengel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen