hengel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hengel om te vissen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hen·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hengel hengels
verkleinwoord hengeltje hengeltjes

Zelfstandig naamwoord

hengel m

  1. stok of buis om met een lijn te vissen
     Bij het eerstvolgende open veldje aan het water gooiden we onze spullen neer. Ik wilde dolgraag een keer verse vis vangen en op een kampvuurtje grillen. Vol goede moed ging ik aan de oever van het idyllische riviertje zitten met mijn zelfgemaakte hengel.[3]
  2. stok of buis om een microfoon op de gewenste plaats te houden
  3. (plantkunde) Melampyrum pratense op Wikispecies een plant uit de bremraapfamilie Orobanchaceae op Wikispecies [4]
Synoniemen
  • boom (uit het Engels)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Met een gouden hengel vissen
Door bedrog zijn doel halen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hengelen

hengel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
    • Ik hengel. 
  2. gebiedende wijs van hengelen
    • Hengel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
    • Hengel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen