helmbindsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • helm·bind·sel
Woordherkomst en -opbouw
Eerste vermelding in 1854 in een boek van J. Pereira "Handleiding tot de leer der geneesmiddelen"
enkelvoud meervoud
naamwoord helmbindsel helmbindsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

helmbindsel o

  1. (plantkunde) deel van de helmknop van een bloem dat de beide helmhokjes verbindt en een voortzetting van de helmdraad vormt
    • De helmknoppen onderscheiden zich in dit geslacht door buitengewoon groote helmbindsels die met elkander tot een zes-kantigen en zes-slippigen beker zijn verenigd, [...][1] 
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Teysmannia, Volume 2, 1891




Afrikaans

Woordafbreking
  • helm·bind·sel
enkelvoud meervoud
naamwoord helmbindsel helmbindsels

Zelfstandig naamwoord

helmbindsel

  1. (plantkunde) helmbindsel