heitje voor een karweitje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Heitje voor een karweitje op de Dam in Amsterdam, 20 april 1960.
Uitspraak
Woordafbreking
  • hei·tje voor een kar·wei·tje
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord heitje voor een karweitje heitjes voor een karweitje

Zelfstandig naamwoord

heitje voor een karweitje o

  1. eenvoudig klusje dat een kind tegen een kleine vergoeding verricht
     “Heeft u een heitje voor een karweitje?” vraagt Rintje. “Dat heb je zeker van je oma geleerd,” lacht mevrouw Poedel. “Ik heb wel wat hoor, wacht maar even.” Ze komt terug met een grote stapel oude kranten. “Als jullie deze naar de papierbak brengen, geef ik jullie alle drie iets voor in je spaarpot.”[2]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 18 juni 2021 Weblink bron “Heitje voor een<bnsp>karweitje” (29 juni 2011) op onzetaal.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 18 juni 2021 Weblink bron Sieb Posthuma “Heitje voor een karweitje” (1 mei 2009) op nrc.nl