heftigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hef·tig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heftigheid heftigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

heftigheid v [1]

  1. het heftig zijn
     En die e-mail die je zo woest maakt dat je stante pede in blokletters en met uitroeptekens wil reageren? Juist, qua heftigheid van emotie kun je daar maar beter een minuut of twintig mee wachten: waarschijnlijk is je gevoel dan weggezakt. Blijkt na twintig minuten van niet, ga dan gerust alsnog je gang![2]
     “De combinatie van al die heftigheid in het werk met wat mij privé overkwam, dat was wel even zwaar,” aldus de premier bij de terugblik op de afgelopen crisisperiode. Het overlijden van zijn moeder en het feit dat hij haar in het verpleegtehuis nauwelijks kon bezoeken, viel hem zwaar. Een heftig halfjaar, klonk het.[3]
     De blik van zijn vrouw in de richting van het water was van een ongekende heftigheid.[4]
Synoniemen
Antoniemen


Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Thijs Launspach “Dit trucje helpt tegen werkstress én lekkere trek” (22-09-2020), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron “Premier Rutte over de coronacrisis: kabinet heeft ‘steken laten vallen’” (13 juli 2020), Het Parool
  4. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2