hebraïst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·bra·ist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hebraïst hebraïsten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hebraïst m

  1. (beroep) iemand die Hebreeuwse taal- en letterkunde heeft gestudeerd
     Een aantal van de tweehonderd ondertekenaars van het Nashville-pamflet ken ik van de knusse Meet & Greets van het Werkverband van Queer Theologen. Die bezocht ik puur uit zakelijke overwegingen omdat ik als gediplomeerd hebraïst heb meegewerkt aan de bestseller Onder de regenboog: De bijbel queer gelezen. Het wemelt in het Goede Boek van de homofiliteiten, al dan niet latent.[1]
     Opvallend is dat ook in christelijke kring de interesse in de kabbala groeide. De humanist en hebraïst Johannes Reuchlin (1455-1522) nam de kabbala als uitgangspunt van zijn theologische overwegingen, wat hem tot de eerste christelijke kabbalist maakte.[2]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
38 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Arthur van Amerongen op Wikipedia “Dominee Don Arturo veegt bips af met Nashville-verklaring” (11/01/2019), HP de Tijd
  2. Bronlink Weblink bron Klaas van der Zwaag op Wikipedia “Mysterie en magie van de kabbala ontsluierd” (25-06-2019), Reformatorisch Dagblad