hebbelijkheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heb·be·lijk·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hebbelijkheid hebbelijkheden
verkleinwoord hebbelijkheidje hebbelijkheidjes

Zelfstandig naamwoord

hebbelijkheid v [2]

  1. kenmerkende, vreemde gewoonte
    • Ik vrees dat de attractie meer te maken had met zijn strakke Latijns-Amerikaanse aarsje. Al was Duarte dan de jongste niet meer tijdens zijn laatste proces kwam aan het licht dat hij twaalf intensieve escortjaren in New York doorlopen had , dat aarsje van hem had de hebbelijkheid om razendsnel, wat het ook te verstouwen had gehad, terug te springen naar zijn oervorm.[3] 
    • Nog één moderne hebbelijkheid. Iets gewoon mooi vinden is verleden tijd. In de radio en op de televisie is het op z’n minst héél mooi, of heel erg mooi of ontzettend mooi. Het bijvoeglijke naamwoord zonder versterking is aan het verdwijnen. Ook dat is heel erg opmerkelijk.[4]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. hebbelijkheid op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Jong, Rijk de En weer zat er een Paul Newman in de keuken 2014 ISBN 978-94-6068213-1pagina 23
  4. NRC S. Montag 12 december 2015