hausser
Uiterlijk
- via Oudfrans halcier, haucier van een Vollkslatijnse vorm *altiare (zie ook Italiaans alzare en Spaans alzar) een afleiding van Klassiek Latijn altus "hoog". Voor de afkomst van de h-, zie de etymologie van haut [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hausser |
haussais |
haussé |
| eerste groep | volledig | |
hausser
- overgankelijk verhogen; (fysisch) hoger maken
- overgankelijk optillen; hoger zetten; hoger plaatsen
- overgankelijk luider doen klinken; luider zetten
- overgankelijk (de prijs) verhogen; duurder maken
- [2] hausser les épaulesde schouders ophalen
- [3] hausser la voixde stem verheffen
- ↑ hausser (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.