Naar inhoud springen

hausser

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hausser
haussais
haussé
eerste groep volledig

hausser

  1. overgankelijk verhogen; (fysisch) hoger maken
  2. overgankelijk optillen; hoger zetten; hoger plaatsen
  3. overgankelijk luider doen klinken; luider zetten
  4. overgankelijk (de prijs) verhogen; duurder maken
  • dit woord heeft een h aspiré: er vindt geen liaison plaats met de eindmedeklinker van het woord ervoor