harses

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • har·ses
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord - harses
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

harses mv

  1. (informeel) hersens, hoofd, kop
    • Dat had ik met m'n duffe harses even niet gezien; ik wil koffie. 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be