harpagon
Uiterlijk
- har·pa·gon
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | harpagon | harpagons |
| verkleinwoord |
de harpagon m
- (persoon) (verouderd) iemand die wat hij heeft voor zichzelf wil houden en daarom erg zuinig is en niet met anderen wil delen
- ▸ Allemansvrienden zijn niemandsvrienden en worden door hun toegeeflijkheid verteerd en uitgehold. (…) Delen's vriendschap bezit waarde, omdat hij er als een oprechte harpagon mee omspringt.[1]
- ▸ ⧖ Men zon, zoo zeggen, op zoo'n eiland moest men hier en daar nog een harpagon aantreffen die zijn geld in de „oude kous" onder z'n hoofdkussen bewaart, maar neen, daar is geen sprake van, wellicht door den invloed van de loodsen, die meer met de ideeën van het vaste land zijn bezield.[2]
- erwtenteller, gierigaard, gortenteller, krent (2), oordjedood, vrek
- Het woord 'harpagon' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- ↑
Weblink bron J. GreshoffAgenda zonder data in: De Gids., jrg. 120 deel 1 nr. 2 (februari 1957), P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam, p. 133 - ↑
Weblink bron Het eiland Vlieland. in: Nieuwe Harlinger Courant, jrg. 24 nr. 34 (27 april 1923), S.W. Houtsma, Harlingen, p. 1 kol. 2
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Eponiem in het Nederlands
- Persoon in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal