hardrijder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard·rij·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hardrijder hardrijders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hardrijder m [1]

  1. (sport) iemand die heel snel kan schaatsen of fietsen
    • Joan Haanappel en Sjoukje Dijkstra, al bijna zeventig jaar vriendinnen, proberen het kunstrijden levend te houden. Van de KNSB moeten ze het niet hebben. „Gerund worden door een hardrijder? Dat nooit.” [2] 
  2. (verkeer) iemand die te snel rijdt met een auto of motorfiets
    • De afgelopen tien jaar vielen er bij verkeersongevallen op de N354, de Snitserdyk, zes doden, vertelt Van der Meulen. Oorzaak: er wordt veel te hard gereden. Er geldt een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, maar buiten de spits trapt menig automobilist het gaspedaal veel dieper in. De provincie Friesland onderkent het gevaar. Er geldt nu een inhaalverbod en er is extra belijning aangebracht. De maximumsnelheid is teruggebracht naar 60 kilometer en er wordt vaker gecontroleerd. Bij een recente controle kregen 92 hardrijders een bon.[3]  
Vertalingen


Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Henk Stouwdam 25 maart 2017
  3. NRC Karin de Mik 14 december 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be