Naar inhoud springen

hanteren

Uit WikiWoordenboek
  • han·te·ren
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘omgaan met, (werktuig) gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in 1286 [1]
  • Afgeleid van het Franse hanter (12e eeuw) met betekenis 'omgaan met', dat weer afkomstig is van het Germaans, met het achtervoegsel -eren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hanteren
hanteerde
gehanteerd
zwak -d volledig

hanteren

  1. overgankelijk gebruiken (met name met de handen)
    • De jongen hanteerde het mes als een ware kok. 
    • Een pen hanteren kan voor sommige mensen lastig zijn. 
  2. overgankelijk (figuurlijk) ermee omgaan
    • De chef kon hun kritiek niet goed hanteren. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]


hanteren

  1. hanteren